SCP: armoede blijft dalen, minder dan een miljoen Nederlanders arm

De armoede in Nederland blijft dalen, meldt het Sociaal en Cultureel Planbureau. Het aantal armen is afgenomen van ruim 1,2 miljoen in 2013 naar 939.000 in 2017. Dat betekent dat 5,3 procent van de Nederlandse bevolking arm is. De armoede neemt af doordat de economie groeit en meer mensen werk hebben.

Naar verhouding komt armoede het meest voor onder kinderen, 90-plussers en mensen met een migratie-achtergrond. Van de arme volwassenen heeft bijna de helft een migratie-achtergrond.

Om armoede te meten gaat het planbureau uit van een zogenoemd ‘niet-veel-maar-toereikend-budget‘. In dat bedrag zit onder meer geld voor kleding, openbaar vervoer, was- en schoonmaakmiddelen, een internetaansluiting en mobiele telefoon.

90-plussers en kinderen vaker arm

Onder 65-plussers komt armoede weinig voor: slechts 3 procent van hen is arm. Maar onder 90-plussers is de armoede veel hoger. Van alle ouderen vanaf 90 jaar is 11 procent arm; in totaal 12.000 mensen. “Dat komt onder meer doordat zij hogere zorgkosten hebben en hulpmiddelen moeten gebruiken die niet vergoed worden”, zegt Hagar Roijackers van ouderenorganisatie KBO-PCOB. “We zien dat die groep niet meer naar de tandarts of fysiotherapeut gaat.”

Veel 90-plussers hebben tijdens hun werkzame leven minder pensioen kunnen opbouwen dan jongere gepensioneerden. Onder 90-plussers met een koopwoning is de armoede veel minder groot.

Van de kinderen tot en met 12 jaar leeft volgens het SCP 8,1 procent in armoede. In totaal gaat het om 272.000 kinderen.

Volgens de criteria van het SCP is er een beperkte groep werkende armen. In 2017 waren dit er 220.000. Van alle arme volwassenen heeft een derde werk.

 Amsterdam, Rotterdam en Den Haag hebben de hoogste percentages armen. In de drie grote steden is ruim 10 procent arm. Dat is wel aanzienlijk minder dan in 2013, toen zo’n 15 procent er arm was.

Onder alle groepen is de armoede sinds 2013 afgenomen, behalve onder de Syriërs. Dat komt doordat sinds 2015 veel Syriërs naar Nederland zijn gekomen. Van de Syriërs is ruim de helft arm.

Definities

Het is ook mogelijk andere definities van armoede te hanteren. Een strikter criterium is of mensen kunnen voorzien in basisbehoeften. Als dit criterium wordt gehanteerd, zijn er ruim 600.000 armen in Nederland. Dit is het getal waar het CBS van uitgaat in zijn rapport over welvaart in Nederland.

Het CBS schetst mede daardoor al jaren net een iets ander beeld dan het SCP. Vorige week nog meldde het CBS dat armen en vooral mensen met hardnekkige schulden steeds minder te besteden hebben. Ook werd bekend dat meer mensen naar de voedselbank gaan. Het aantal armen zoals gemeten door het SCP daalt dus wel, maar dat sluit niet uit dat binnen de groep armen die overblijven de problemen toenemen.

Geef vrouwelijke nieuwkomers het vertrouwen om te falen

Artikel

24 september 2019

Ze noemt zichzelf strategisch adviseur inclusie en diversiteit vanuit een mensenrechtenperspectief. Maar enkel die titel doet geen recht aan alle zaken waar Domenica Ghidei Biidu (57) zich met hart en ziel voor inzet. Als tiener ervoer ze wat het is om te vluchten en in een onbekend land opnieuw te beginnen. Ghidei Biidu is het bewijs dat een dergelijke ervaring niets zegt over de persoonlijke en professionele capaciteiten van iemand: ‘Vluchten is een ervaring, het is geen identiteit.’

Ghidei Biidu – van huis uit juriste en jarenlang collegelid van het College voor de Rechten van de Mens – is er duidelijk over: ‘Toen ik als 17-jarige Nederland binnenkwam, had ik geen diploma. Twee jaar later had ik een kind en was ik gescheiden. Ik was een vluchteling uit Eritrea, alleenstaand en een vrouw met een kind. Je zou me een kansarm geval kunnen noemen, afgaande op alleen die feiten. Als je naar de buitenkant keek, zag je een stereotype. Maar mensen wisten niet dat ik op privéscholen had gezeten, leergierig was en een van de besten van de klas was.’ Met een flinke dosis wilskracht en doorzettingsvermogen omarmde Ghidei Biidu Nederland. Na wat omzwervingen en met hulp uit haar opgebouwde netwerk begon ze op 23-jarige leeftijd aan de studie rechten in Amsterdam.

Het is nu moeilijker om te integreren dan 40 jaar geleden

Wat kunnen gemeenten en andere organisaties die nieuwkomers en specifiek vrouwelijke nieuwkomers begeleiden van u leren?

‘Dat je vanuit verschillende aspecten naar een persoon moet kijken. Intersectionaliteit noemen we dat. Iemand is niet alleen gevlucht, maar ook vrouw, misschien moeder, heeft een bepaald opleidingsniveau, ervaringen en ga zo maar door. Over een nieuwkomer heb je vaak weinig informatie. Ga heel dicht naast een persoon staan en vraag: wat kun jij? Wat is jouw bagage, je geschiedenis, wat zijn je dromen en ambities? Als iemand iets wil uitproberen, moet daar ook de kans voor zijn. Ook om fouten te maken. En als het niet lukt kun je vragen: wat had je nodig om wel te slagen?’

Dit interview is gepubliceerd in magazine Doen!, een initiatief van K!X Works. K!X Works is een programma dat jonge nieuwkomers toerust om een passende opleiding of werk in Nederland te vinden. Het hele magazine bekijken? Klik hier!

Vrouwelijke statushouders hebben een extra achterstand op de arbeidsmarkt ten opzichte van mannelijke statushouders, weten we uit onderzoek. Wat vindt u belangrijk in de ondersteuning van vrouwelijke vluchtelingen?

‘Om soms bestaande structuren los te laten en creatief te denken. Sommige vrouwen zijn ambitieus maar vinden weinig aanknopingspunten hier met wat met wat ze in hun land van herkomst hebben gedaan. Zij hebben er baat bij dat ze kunnen experimenteren en kansen krijgen om verschillende dingen uit te proberen in de nieuwe context van Nederland. Andere vrouwen willen zich eerst op hun kinderen richten en later alsnog een opleiding of baan vinden. Die mogelijkheid moet er ook zijn. Op die manier maak je vrouwen medeverantwoordelijk voor hun keuzes en de consequenties daarvan. Het allerbelangrijkste is dat de vrouwen het vertrouwen krijgen om te groeien in hun nieuwe rol of vak in de Nederlandse context. Bij groeien hoort ook falen, fouten maken en opnieuw de kans krijgen te starten.’

Het leren van de Nederlandse taal wordt sinds de jaren negentig beschouwd als een van de belangrijkste voorwaarden voor integratie. Hoe belangrijk vindt u het dat nieuwkomers de taal snel en goed beheersen?

‘Dat ligt eraan in welk vakgebied iemand actief wil worden. Ikzelf oefen een heel talig beroep uit. Als ik een taalfout maak, gaan mensen soms twijfelen aan mijn deskundigheid. Aan jezelf werken is natuurlijk een must, bijvoorbeeld door taallessen te volgen. Maar het is ook belangrijk om zelf – en met de organisatie waar je gaat werken – je deskundigheid op relevante aspecten te beoordelen: Klopt het dat ik dit taalniveau nodig heb om een bepaalde deskundigheid te verkrijgen of ergens werkzaam te zijn? Of wordt er onnodig op gefocust? Als je taal op nummer één zet en geen of weinig oog hebt voor de rest, dan zie je pluspunten van iemand soms over het hoofd. Zoals analytisch vermogen, creativiteit, flexibiliteit, het vermogen te verbinden, veerkracht, et cetera. Dat zijn heel belangrijke kwaliteiten om in deze global society te werken en te leven.’

Wie is Domenica Ghidei Biidu?

Domenica Ghidei Biidu (57 jaar) vluchtte op 15-jarige leeftijd vanuit Eritrea. Als 17-jarig meisje kwam ze aan in Nederland. Ze studeerde rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ghidei Biidu is juriste, was jarenlang lid van het College voor de Rechten van de Mens, is nu nog lid van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie en bekleedt verschillende bestuursfuncties waaronder binnen de Raad van Advies van Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS). Ze heeft drie kinderen en woont in Amsterdam.

Hoe zag de Nederlandse samenleving eruit toen u hier aankwam?

‘Zo’n 40 jaar geleden was solidariteit belangrijk. Er was steun voor mensen die daar behoefte aan hadden. Aan de ene kant was er dus veel hulp. Aan de andere kant waren er weinig specifieke programma’s voor nieuwkomers. Onderwijs in eigen taal en cultuur werd bevorderd en emancipatie van vrouwen werd toen meer gestimuleerd. Het was de tijd van de tweede feministische golf in Nederland. Niet dat de witte feministische beweging inclusief was, maar er was een algehele alertheid voor de emancipatie van vrouwen in Nederland. En er was een brede zwarte-, migranten- en vluchtelingen- vrouwenbeweging (de zmv-beweging) die met elkaar verbonden was en belangrijke vraagstukken agendeerde. De voorbereiding op de verschillende internationale vrouwenconferenties, zoals die van Nairobi en Beijing, hadden bijvoorbeeld een grote impact op het bewustzijn van vrouwen en de internationale solidariteit.

Nu is het moeilijker om te integreren. Integratie wordt ten onrechte hoofdzakelijk als een individuele inspanning gezien, het is een soort dreiging geworden. De samenleving is nu complexer en individualistischer. Nieuwkomers hebben geen beeld over hoe de dingen hier geregeld zijn. Ze ontvangen een lening maar starten eigenlijk gelijk met een schuld. Integratie zou een wederkerig proces moeten zijn, maar dat hebben we losgelaten. Er zijn bijvoorbeeld maar weinig plekken waar nieuwkomers Nederlanders in gelijkwaardigheid kunnen ontmoeten.’

Integratie wordt ten onrechte hoofdzakelijk als een individuele inspanning gezien

Hoe kunnen gemeenten dergelijke ontmoetingen stimuleren?

‘Gemeenten hebben veel mogelijkheden en grote verantwoordelijkheden. Je integreert niet in Nederland, maar in de gemeente waar je woont. Daar leef je naast elkaar met je buren en wijkgenoten. Ik vind het belangrijk om vanuit het mensenrechtenperspectief te denken: je bewijst mensen niet alleen een gunst als je ze helpt te integreren, je bent sámen een samenleving aan het vormen. Wij denken in Nederland nog te veel vanuit dat hulpverleningsperspectief, het zogenaamde ‘taking care syndroom’. Je moet een structuur creëren waarin je samenwerkt, niet een structuur waarin de ene persoon in een positie zit waar hij altijd de hulp of gunst van een ander moet vragen. Nieuwkomers blijven geen nieuwkomers; ze gaan participeren, hebben ambities, worden uiteindelijk misschien wel je collega. Door mensen te betrekken en medeverantwoordelijk te maken voor hun keuzes, geef je ze mede-ownership. Niet: “ik doe dit voor jou”, maar: “wij hebben elkaar nodig, zonder jou kan ik het niet doen”. Wij zijn samen een gemeenschap.’

Wat betekent dat voor de houding van Nederlanders?

‘Voor de ontvangende samenleving kan integratie ingewikkeld zijn. Wij moeten ruimte gaan maken. Het feit dat Nederland een slavernij- en koloniale geschiedenis heeft, betekent dat Nederland ruimte heeft ingenomen en volkeren mede heeft gecreëerd. In het hier en nu moeten we een plek creëren vanuit verantwoordelijkheid naar alle burgers. Je kunt je als ontvangende samenleving niet permitteren te  zeggen: “Ik ga me niet aanpassen aan hen”. Ontmoetingen veranderen ons, het is een kwestie van uitwisselen.’

Nieuwkomers blijven geen nieuwkomers, op een dag worden ze misschien je collega

Wat zijn volgens u belangrijke aandachtspunten bij de integratie van nieuwkomers?

‘Migratie heeft te maken met vertrek en aankomst, being, belonging en beloving zijn daarin belangrijke elementen. Wanneer je als nieuwkomer ergens aankomt moet je je afvragen: hoeveel van mijn energie zit er nog in het land waar ik vandaan kwam, en hoeveel energie is er in het hier en nu? Het echt landen in een aankomstland is een belangrijk proces dat je niet kunt afdwingen en dat tijd nodig heeft. Elke nieuwkomer gaat dat proces op eigen wijze aan. Niet iedereen doorloopt het hele proces en dat heeft verstrekkende consequenties, ook voor de volgende generaties. Het is als een tros druiven: als je één ding aanpakt, zit er weer iets anders aan vast. Het is een proces van verlies en rouw en dat is niet niks. Als je dat verlies niet onder ogen ziet en neemt, blijf je in een spagaat hangen tussen die verschillende werelden. Als je ervoor kiest om hier te zijn, moet je ook vertrouwen hebben dat je hier kan en mag landen. Als nieuwkomer heb je uiteraard veel baat bij een samenleving die zegt dat je welkom bent en hier hoort.’

Hoe denkt u over de inzet van rolmodellen uit migrantengemeenschappen om de integratie te bevorderen?

‘Het is belangrijk dat je als gemeente ziet dat er binnen de gemeenschappen mensen zijn die eerder als nieuwkomer naar Nederland kwamen en zo een vergelijkbare ervaring hebben als de huidige nieuwkomers. Geef hen een positie, deze mensen zijn cultural mediators. Zoek naar structuren en naar mensen vanuit de gemeenschap die een rol kunnen spelen. Maar je moet wel iemand vanuit zijn of haar kwaliteiten inzetten en daadwerkelijk een taak geven. Daarmee erken je iemands opgebouwde ervaring en kwaliteiten. Vaak worden mensen uit dezelfde gemeenschap, die eerder naar Nederland gekomen zijn, gevraagd om even als vrijwilliger iets voor hun voormalige landgenoten te doen. Terwijl organisaties deze mensen ook in dienst kunnen nemen en daarmee de expertise ook zelf in huis halen. Zo voer je echt een beleid van diversiteit en inclusiviteit uit.’

Foto’s door: Joyce de Vries

Een nieuwe website

De afgelopen periode is er hard gewerkt om de website van Vluchtelingenwerkgroep Wijk bij Duurstede te vernieuwen. De basis staat, maar we zijn nog niet klaar. In de komende periode zullen we steeds inhoud gaan toevoegen aan de website.